papieren helden

FB

Een fenomenologie van xtc & neon

De camera volgt ons op een nachtelijke rit in een smetteloze auto volgepropt met besmettelijke mensen: Mara, Georg, Guillaume en ik, we steken elkaar aan met zenuwen en enthousiasme terwijl we zoeken naar de poort naar de onderwereld, een zoektocht over verlaten plattelandswegen waar de stad nog niet aan geroken heeft en langs geknakte industrieterreinen waar de twintigste eeuw al is weggesijpeld. De schimmelvlek van de maan ontsiert het zwarte plafond.

De auto kauwt zich een tunnel door de nacht, robijnen en opalen glimmen in de rauwe wanden, en in ons licht verstoppen zich verwaarlozing en verlating, prikkeldraad en schrikkeldraad, grote pakhuizen zonder vracht, rangeerterreinen zonder stoom, onhandelbare struiken die boos over lage bakstenen muurtjes golven, twee uitgebrande vrachtwagens die neus aan neus staan—ze hebben elkaar in hun doodsangst teder gekust en stierven toen een vredige vuurdood. In de felle autolampen zien we melkwitte of computerblauwe ogen in capuchons en heggen, bermrivieren van afval die schatkisterig glinsteren, de compostkleurige lijven van vossen of honden, Guillaume die sproeierig pist tegen het hoofdloze standbeeld van een fabriekseigenaar. Een politieauto houdt ons staande met onzinredenen maar niemand hoeft uit te stappen, Rijbewijs en papieren, a.u.b., en heel even bromt Georgs antieke Volvo zoeter dan ooit, hij wil ook geen problemen met de heilige hermandad, zeker niet vandaag als hij onverdunde petroleum heeft gesnoven en al maanden geen alimentatie betaalt aan zijn ex en drie kleine aanhangwagentjes.

In de jungles van de Amazone komen nomadische mieren voor, kolonies die met z’n miljoenen door het bos trekken als een enorm lijf met slingerende, zoekende tentakels. Als een arm van de kolonie het feromonenspoor van de rest kwijtraakt, beginnen ze in een grote cirkel te lopen, honderdduizend mieren die elkaar volgen en niemand loopt voorop. Ze zullen niet ophouden met cirkeldraaien tot ze de geur van de kolonie terugvinden, of tot ze sterven van de honger. Eén mier is niet intelligent, de vindingrijkheid van de groep is een emergent verschijnsel. Zoals Eugène Marais, de Zuid-Afrikaanse bioloog en schrijver, postuleerde in Die siel van die mier (1934): in feite moet een kolonie gezien worden als één coherent organisme: een enkel organisme met ontelbare krioelende ledematen.

En dan parkeren we in een felwit wak dat door stadion-achtige lichttorens in de duisternis wordt geslagen, naast een vloot voertuigen en een paar verveelde taxi’s. We lopen naar een klein gebouwtje, 2m² houten wandjes en een kartonnen deur bewaakt door drie bomberjacks volgepompt met vanillepudding.

Twee bomberjacks fouilleren ons terwijl de derde op z’n tablet de gastenlijst checkt en een paar kaartjes scant. Half verstopt in de deuropening staat een donkere slanke vrouw in een getailleerde zwarte jas, ze is bijna onzichtbaar in de nachtschaduwen. Ze bekijkt ons openlijk van top tot teen, neemt alle tijd, gebaart naar mij en Guillaume en we knopen onze jassen open om onze outfits te laten zien. Ze knikt en grijnst de aurora borealis en gromt, Veel plezier, mensen. We stappen naar binnen en de enige route voert naar beneden: het houten hokje omkadert een klein gat in de grond: een grafgrote rechthoek met een metalen trap.

Smalle haarspelden die galmend naar de diepste kelders leiden, de beste dingen gebeuren nou eenmaal aan het einde van lange trappen, de begane grond is helemaal gekoloniseerd en opgedeeld en we moeten onze enclaves in catacomben en op zolders zoeken.

We zijn er: Der Cellar.

Pandemonium bevat alle demonen en alle demonen zijn gevallen engelen.

Er is een grote kleedruimte waar herfstkleren worden gedumpt en mensen naakt vertrekken, naakt of halfnaakt vertrekken of vertrekken als pauwen of psychedelische matadors of postapocalyptische astronauten, klaar voor onderdompeling in de club. Er is leer en kettingen en kant en zijde, perspex en polyester, er zijn steltlopers en een sauna, een zwembad en botbrekende dj’s, er zijn prachtige lijven aller aard en een beroemde dom in zijn karakteristieke grijze pak met vlinderstrik die als een aristocraat muurleunt met een neonkleurige cocktail in zijn hand en het einde der tijden in zijn ogen en daar loopt een motherfucking farao.

Mara is hier vaker geweest en ze belooft zich te gedragen, Ik blijf vannacht bij jullie en ga niet de darkrooms in. Schappelijk: je gunt je vrienden alles maar wil je ze zien neuken? Een uur later wordt ze op de dansvloer gevingerd door een brede vrouw in een leren masker, Georg glittert en grijnst als een sinistere David Bowie terwijl hij zichzelf tussen de mensen giet, Guillaume heeft een tijdje nodig om zich op zijn gemak te voelen en tegen de ochtend drijft hij uitgekleed op een opblaaszwaan in het zwembad.

Bij een loket koop ik pillen van een harig iemand met een grote baard en gigantische borsten. Ik heb Maserati en Netflix, zegt hun. Maserati kickt heel snel in, weet ik, en Netflix is om lang op te chillen. Ik koop twee Netflix, neem een halfje en stop de rest in een klein vakje van mijn nepleren heuptasje dat diagonaal op mijn borstkas ligt, handig en cool, over mijn strakke overhemd zonder mouwen en een veelgesperig tuigje dat ik van Mara heb geleend. Ziet dit er niet uit alsof ik te hard probeer binnen te komen? vraag ik een paar uur geleden in haar kamer, Te voldoen aan hun dresscode in dit korte leren broekje dat ik vandaag gekocht heb?

Voelt het lekker? vraagt ze, Voelt het sexy en stoer en als iets dat je wíl dragen? Ze kijkt me niet aan omdat ze druk is een lang paars touw om haar lijf te knopen, ze staat op hoge hakken en in spaarzame lingerie voor de spiegel. Het voelt heerlijk, zeg ik, Het voelt vrij. Dan is het echt, zegt Mara terwijl ze de knopen uithaalt en opnieuw begint, Of je het nou vandaag of jaren geleden hebt gekocht. Ik ga naast haar staan. In de spiegel staat een man van zevenendertig, een jonge doch duidelijk zevenendertigjarige zevenendertig, die zich spannend en aantrekkelijk voelt, vreemde gewaarwordingen, zo kijkt deze man nooit naar die man. Ik wil vooral niet toeristeren, zeg ik. Hou op, man, zegt Georg, die in dezelfde kinkshop een bodysuit heeft gekocht omdat zijn oude gescheurd is, Nieuwsgierig zijn is niet hetzelfde als toeristeren. Voel je thuis, dans, doe wat je wil, kijk naar mensen die dat leuk vinden en laat iedereen die met rust gelaten wil worden met rust. Schluß.

Ik heb me nog nooit zo vrij en veilig gevoeld in een betonnen mierennest met bijna duizend zwetende onbekenden. Alles en iedereen is er. Als we uren later vertrekken zie ik een Hellraiser-kloon zonder zich om te kleden de trappen beklimmen, kort daarna gevolgd door een kleine vrouw van begin dertig die bloot en glanzend de garderobe inkomt, snel een spijkerbroek en een vaalgrijs sweatshirt aantrekt en energiek omhoog holt alsof ze even de deur uitgaat om croissants en een flat white te halen. De hele week erna staar ik onbeleefd naar willekeurige trampassagiers, kroeggasten en stoeplopers van egal welke leeftijd, en stel vast dat niemand in Der Cellar uit de toon zou vallen, als ze dat voetbalshirt zouden ruilen voor een gaasvest, die Star Wars-trui voor een latex bikini, zo’n Fristikleurige jurk voor exact dezelfde jurk maar met witgeverfd gezicht en onmogelijke laarzen.

De volgende dag dein ik nog loom op de golfjes xtc, net de wind die in een Miyazaki-film door het hoge gras rent, als ik in de metro onbedoeld de ogen vind van een man in zondagse gezinsformatie en me afvraag of ik vannacht zijn erectie over de dansvloer heb zien stuiteren. We knikken elkaar toe maar zeggen niks, Dat was jij toch, in Der Cellar? is geen optie, wie weet of zijn gezin en zijn verkreukelde schoonouders op dat linoleumbankje weet hebben van zijn feestbehoeftes. We wisselen geen woord, vermijden elkaars blik vier, vijf haltes lang, maar als ik uitstap wil ik hem bedanken of moed inspreken, iets, ik weet niet wat, en dan zuigen de deuren van de metro zich dicht en in een heel ander decennium in een klein museum in het westen van een winterstad verliest een jongen zich in De Chirico’s Il grande metafisico en hij begrijpt ineens hoe serieus en grappig kunst kan zijn, dat schilderijen grandioos, potsierlijk en overdreven kunnen zijn zónder hun ernst en schoonheid te verliezen, en dat het leven precies zo werkt. En op die dag, twintig of vijfentwintig jaar geleden, verpandt de jongen zijn hart aan blasfemie.

Een trein cancan-dansers in franjekant trapt zich atletisch door de grote zaal.

Twee mannen in identieke witleren outfits spotten elkaar, lachen hysterisch en lopen hand in hand naar een darkroom.

Een gespierd persoon met gladgeschoren hoofd knoopt een lange vrouw in een cocon van witte touwen, bengelt haar van het plafond en kunst het lichaam tot een vleescadeau. We kijken ademloos. Mara wil foto’s maken om van de knoopmeester te leren maar we hebben allemaal onze telefoons in de garderobe moeten laten.

In de lounge waar we martini’s drinken zingt een cluster bejaarde dragqueens zoete theatrale versies van klassieke Radioheadnummers.

Er zijn clubs met betere muziek, ja, betere installaties en betere dj’s dan Der Cellar, maar de muziek is nog steeds goed, soms moet je wachten tot een andere dj begint of loop je van de grote zaal naar de kleinere zaal naar de kelderbar naar de rasterdansvloer die boven de grote bar van het plafond hangt, op zoek naar de juiste beat, de passende stijl. Die disco hier is te warrig en daar in de grote zaal draaien ze popmuziek met bekende nummers, maar in de kleine zaal vind je meestal heel aardige techno of drum-’n-bass, en dus dans ik daar het meeste, vandaag en de latere keren dat ik er kom, maar leg de muziek even terzijde: boven alles is Der Cellar de vrolijkste en vriendelijkste plek die ik ken, als je je over de dansvloer manoeuvreert maken zelfs de ruigste ravers plek voor je, je hoeft hoogstens twee vingers op een schouder of onderarm te leggen en iemand kijkt je glimlachend aan en beweegt opzij zodat je er langs kan, vrij en liefdevol en overal heersen respect en overgave overgave overgave aan dansen aan bewondering aan drugs en seks en verlangen en kink en bevrediging en allerhande ritmes overgave aan je lichaam overgave aan een ander lichaam overgave aan de ontsnapping of nee niet aan de ontsnapping maar juist aan het doel of de noodzaak of het ideaal van dit alles: overgave aan het ideaal af en toe helemaal met jezelf samen te vallen.

Zei ik dit net ook al?

In de kleinere zaal is de muziek nu vuig en hard, heerlijk, ik kom eindelijk echt los en dans goed, geen idee hoe het eruitziet maar het gaat erom hoe het voelt en het voelt goed, zeker als de halve pil zijn apothekerswerk begint te doen. Ik lik en betast de muziek en weet wat ze wil, weet precies hoe ik me moet bewegen en ik anticipeer al haar moves, al haar noden tot ik denk te begrijpen hoe ze functioneert—en precies dan laten haar verrassingen me ineens weer springen en schaterlachen.

Ik krijg het heet maar dankzij de leren shorts niet al te heet, ik probeer niemand in het gezicht te steken met mijn sigaret en geef mijn flesje water aan Mara want ik kan er niet mee dansen, dat plastic flesje snapt niks van choreografie en expressie. Als de compositie zoals een achtbaan tergend langzaam maar prehistorisch spannend is opgebouwd en dan de top bereikt en we allemaal even en voor eeuwig in het luchtledige hangen en dan de climax grover dropt dan onze harten aankunnen, dan blijkt dat die metalen sculptuur van een drakenkop daar hoog aan de wand geen decoratie is: een lange vuurpluim krult over onze hoofden en schroeit de haren uit onze oksels en iedereen juicht omdat de wereld bestaat.

Een collage van haperingen en benzine, ledematen steken on-anatomisch uit metalen lades in de borstkas van een paspoprobot, een assemblage bricolage objet trouvé van glijmiddel en as en alcohol en pissoir en pillen en poppers en Serieuze Techno, van wimperende aarzeling, enthousiaste instemming en gratis condooms.

Prachtige lijven – allemaal prachtig, irrelevant de leeftijden en de spieren en de harigheid haarloosheid, irrelevant de kwabben en de genitaliën –, alleen maar prachtige lijven stappen stomend uit de sauna, spoelen zich af onder de ijskoude waterstraal en dansen onbevreesd in het zwembad waarnaast wij even uithijgen op de klamme vlonders. Op Netflix voel je je helder tijdens het dansen en springen, haast nuchter, en als je stilzit voel je je zacht en bubbelend, sloom reizend op stille treinen door schemerige landschappen, landschappen waar de zon aan het ondergaan is of misschien aan het opkomen, de zon stopt iedereen zachtjes in of maakt iedereen voorzichtig wakker en het is onmogelijk dat je ooit ongelukkig bent geweest. Mara kriebelt met haar vingers door mijn korte haar, kippenvel aan de binnenkant van mijn huid, in mijn aderen. Zij en Georg zijn spraakzaam en maken vrienden van allerlei dartelaars die om het zwembad drentelen, maar alcohol is de enige drug die mij kletserig maakt: wiet en paddo’s en mdma en andere mind-bending middelen trekken een doorzichtige bubbel om mijn hoofd en ik houd me heel tevreden gedeisd, kijk om me heen en sluit mijn ogen en de schimmeldraden van mijn bewustzijn strekken zich alzijdig uit en kruipen door alle zalen, splitsen bliksemend onder de grond en voelen alle versnelde harten. Af en toe vraagt Mara of ik lekker ga en ik zeg dat ik zelden zo lekker ben gegaan en het kwik van het zwembad ribbelt en golft alchemistisch op het chaostheorieritme van de wentelende amfibieën die schitterend vliegen in deze kubus dikke lucht in deze betegelde bak die meebeweegt met de dreunende beats van de zalen verderop en met de vredig-onverschillige draaiing van deze planeet waarop Georg kleine plakjes Dextro Energy uit zijn tasje haalt, het plastic eraf pulkt en met vlakke hand voor mijn gezicht houdt, Helemaal opeten, zegt hij, ik schrok het vierkantje uit zijn handpalm en liefde is overal, veelkleurig en gratis. Guillaume is nergens te bekennen en dat is goed nieuws: hij heeft zich ondergedompeld en zich een pad door zijn aarzelingen gebrand.

Ik krabbel ook even op Mara’s hoofd maar ze buigt direct weg, oh ja, dat vindt zij juist niet fijn en Georg suddert even ook bijzonder lekker en gaat kruislings naast me zitten en we houden een tijdje elkaars hand vast, roken met de andere hand ontelbare droge sigaretten die we zorgvuldig in lege glazen droppen omdat de dingen alleen functioneren als we allemaal een beetje opletten, zelfs ‘s ochtends vroeg is het zwembad nog verrassend schoon, een plastic flesje drijft ondansend langs en er verdrinken een paar peuken, meer niet, afgezien van al het zweet en—

Ik ben juist niet geïnteresseerd in gelukkig zijn, zegt een zesentwintigjarige Turkse studente met korte krullen, Ik zoek vreugde (joy) en dat is veel sterker.

Kan vreugde geen deel uitmaken van geluk (happiness)? Sluiten ze elkaar uit? zeg ik, eventjes spraakzaam omdat de xtc wat is gaan liggen, ik neem nog een halfje en drink een heel flesje water leeg.

Geluk is een lijn, een schommelende maar grotendeels stabiele lijn op de grafiek. Vreugde is hoge pieken.

Gevolgd door diepe dalen?

Misschien. Maar ik heb liever de verre uitschieters dan de stabiele koers, de veilige koers.

Je kunt gelukkig zijn én die uitschieters van vreugde hebben.

Dat denk ik nou juist niet. Geluk is algemeen. Vreugde is specifiek, zegt ze, en ze wrijft het zweet van haar voorhoofd waardoor ik goed zicht heb op de spijttatoeage op haar middenrif: TRUST NO ONE, en zij en Georg lopen samen weg en ik denk na over een driehoek met op de punten deze woorden: Geluk – Vreugde – Tevredenheid, bedenk dan dat ik deze allemaal kan voelen, en geen punt in de triade sluit de andere uit. Ben ik, vraag ik me af, vaker gelukkig dan tevreden?, het lijkt een drietrapsraket of eerder een gebouw met tevredenheid als de fundering, geluk als de woonruimtes en vreugde als het dakterras, maar ze wervelen om elkaar heen, mes amis, en tevredenheid is misschien zelfs de moeilijkst bereikbare staat omdat het van je vergt dat je helemaal met jezelf samenvalt. Wel vaker heb ik Boaz Koriander aangehaald die in een verhaal of essay ergens schrijft: Tevredenheid is een gebrek aan ambitie, en voor het eerst voel ik, hier op een dansvloer van splinters en kartelranden onder het alziend oog van de draak, wat voor dubbele, haast boeddhistische lading die zin heeft: tevredenheid in de kunst, ja, in het maakproces, die tevredenheid moet kort duren: daar zijn vreugde en lust en onrust nodig om vérder te gaan, T.S. Eliot snuift een lijn paars poeder van een glazen tafel, masseert zijn rauwe neusgaten en declameert dat only those who will risk going too far can possibly find out how far one can go, maar in andere facetten van het leven is een gebrek aan ambitie juist een bereiking: ik doe nu precies wat ik nu wil en ik ben nu precies waar ik nu wil zijn—elders of meer of anders zijn irrelevant: ik ben tevreden.

Ik ga weer dansen.

De massa stroboscoopt door de zaal. (Als ik heel precies met mijn ogen knipper lijkt iedereen stil te staan.)

Ik zak weg in de xtc en laat mijn ledematen zelf bepalen wat ze willen.

Alles vertraagt en flitslichten worden neonletters die langzaam doven in de oververhitte atmosfeer.

(Dit is een fenomenologie van xtc en neon.)

doordrenkt van het zweet

shirt openknopen in de toiletten, spetter water op mijn borstkas, schrob m’n gezicht

bij de stenen vloertrog schept een jonge vrouw op dat ze staand kan plassen en ze ritst haar latex broek open

ik kijk in een donkere tunnel die naar de bdsm-rooms leidt, het is geen gang maar een leegte omkaderd door muren, zwart als Malevich’ vierkant
ik dans onvermoeid
blaarverwekkende haiku’s
door de lange nacht.

Guillaume komt uit het zwembad en meldt dat hij met iemand meegaat, Laat jij het de anderen weten? Ik zie je komende week. Ik dwaal volledig tevreden en vol vreugde door reflecterende passages van glasscherven en fossielen en ik vind Mara op een lage bank, gapend met een piepkleine cocktail. We hebben geen speed meer, zegt ze, En ik val dansend in slaap. Georg en ik delen de cashkosten van een taxi en Mara vertrekt. Ik heb geen idee of Georg nog kan rijden maar dat zijn zorgen voor toekomst-ons, voor Later-Mij en Straks-Georg, laat hen maar dealen met de complicaties van de serotonineloze logistiek van labyrint-ontvluchtende minotaurussen in het wrede knipperende ochtendlicht.

Echt wel.

Mmm, goed... Goed idee om—

Hoezegjedat, hoeheetdatookalweer?

—vorige keer.

Mmm, echt wel.

Een magere vrouw in een eenvoudige outfit krijgt alle ruimte op de volle dansvloer.

Een bolle kerel in fluorescerend groene hotpants tongzoent met drie mensen en geeft een sigaret aan de dj.

Vier spierbundels in prachtige hondenmaskers slangen langzaam door de ruimte, op zoek naar een baasje, hun gladde borstkassen glimmend van zweet of olie.

Er staat een troon tegen een wand van de drakenkamer waarin een jonge vrouw langzaam oraal bevredigd wordt door een naakte man in kniehoge gele regenlaarzen zonder gestoord te worden door de uitzinnige dansers die af en toe vrolijk naar ze kijken maar zich er niet omheen vergaren of zich eraan vergapen en de enige bemoeienis gebeurt als de vrouw vragend haar hand uitsteekt naar iemands water en dat water aangereikt krijgt en een halve liter over zichzelf heen gooit om af te koelen terwijl de laarzenman op zijn knieën het slopende ritme onverstoord aanhoudt.

(We lijken niet voor deze wereld gemaakt te zijn, maar we zouden ook nooit iemand willen ontmoeten die dat wel is.)

Er verstrijkt iets dat op de tijd lijkt. Stroperig. Nee: als een donkerblauwe bloem die zich ’s ochtends openvouwt. Inkt onder water.

Een vrouw als Wagners Walküre roept iets in Georgs oor en Georg lacht.

Het is een uur later, misschien een kwartier.

Iemand op de bodem van de zee biedt me een pil aan en ik open mijn mond wijd wijder w i j d s t.

Ik ga naar boven.

Nee, toch naar de kelderbar.

Hier speelt een jazztrio, het contrast shockeert. Weten zij wel wat er hierboven allemaal gaande is?

Eigenlijk wel even lekker.

Ik rook een paar sigaretten en drink een gin martini.

Verderop aan de bar dreigt iemand naar Mumbai te verhuizen.

En toen verveelde ik me zo ontzettend dat ik gewoon een broodmes heb gepakt, mijn torso heb opengesneden en mijn galblaas, longen en een deel van een nier op tafel heb gelegd.

Gelijk heb je, soms is een groot gebaar het enige dat—

People don’t go insane the way they used to.

Što bog zna o istini?

Tengo que cagar pero los baños están llenos de gente follando.

Kiss my ass.

Bitte!

En ik struin en zit en zie, en ik beland telkens weer in die drakenkamer waar nou eenmaal de beste muziek gedraaid wordt. In mijn leren broekje met veters aan de zijkanten, mijn mouwloze strakke overhemd en het geleende tuigje voel ik me thuis en prachtig, en ik voel me bijzonder stoer dat Mara en Guillaume vertrokken zijn en ik gebleven ben, weet niet waar Georg is, ik kan dit in mijn eentje en het is niet dat ik niemand nodig heb: iedereen is hier zodat iedereen hier kan zijn, het werkt alleen met z’n allen en dan kun je opgaan in de massa die nooit maar dan ook echt nooit ophoudt een sprankelende collectie van individuen te zijn. Het emergente bewustzijn van een kluwen dansende mieren, in je eentje kan het niet, lukt het niet, samen vinden we een cadans waarop we kunnen bewegen, hyperalert op de noden en aansporingen van de muziek, iedereen samen en iedereen voor zichzelf.

Het allercoolst voel ik me als ik alweer een tijdje hard sta te dansen en dan benaderd word door een net zo hard raggend stel van rond de vijftig, beiden wit haar, beiden in leren riemen die veel huid aan de open lucht laten. Zij lijkt op Solveig Dommartin, hij is de tweeling van Richard E. Grant—ze zijn voor mij op deze aarde ontstaan. Solveig tikt me aan en ik schrik mijn ogen open, glimlach, buig naar voren om haar te verstaan in de roestvrijstalen storm. Ze wijst naar zichzelf en haar partner, knikt dan naar een van de trappen naar de kelders, Wil je met ons spelen?

Ik lach mijn breedste gebit en zeg, Nee, dankjewel.

Ze knijpt lief in mijn bovenarm en zegt, Oké, veel plezier, draait zich om en de twee verdwijnen in de felverlichte duisternis. Direct worden mijn schoenen volgegoten met een gevoel van diep verlies. Waarom zou ik nee zeggen?, en Franz Kafka springt met ontbloot bovenlijf op en neer, hij zingt luidkeels mee met het tekstloze gedreun, Von einem gewissen Punkt an gibt es keine Rückkehr mehr. Dieser Punkt ist zu erreichen!, en normaal gesproken wil ik niet eens handen schudden met mensen maar normaal gesproken draag ik ook geen leren shorts en daar voel ik me zo thuis in, verrassend thuis, misschien ben ik iemand anders dan ik dacht, misschien ben ik heel veel meer mensen dan ik wist.

Ik klim op een smal dansplatform langs de wand en zoek door de knedende, vibrerende massa. Achter de dj staat een dominatrix-koningin van tegen de zeventig, kort feloranje haar en een lange glansleren jurk, ze rookt langzaam een dunne joint en beziet haar rijk met een goedkeuring waar sommige kinderen hun leven lang naar op zoek zullen zijn. Nee, ze is geen koningin: ze is een tovenares, een orakel: door twintig meter rook en flitslichten kijkt ze me recht in de ogen, ze ziet mijn verlangen en wanhoop en wijst schuin naar beneden: voor de dj-booth staan Solveig en Richard met hun lange snijtanden de muziek aan flarden te bijten. Ik steek een dankende hand op naar het orakel maar ze kijkt al niet meer naar me, ze zoekt verder naar mensen die haar wijsheid nodig hebben. Ik dring me naar voren, raak Richards schouder aan en zie in zijn oceaanogen een verrukking die me direct ongeduldig maakt. Gedrieën lopen we een trap af naar een leerbeklede baarmoeder waar we—

Een tijd later vindt Georg me aan de rand van de dansvloer waar ik mijn allerlaatste energie in de betonnen platen stamp. Ik vertel hem omfloerst wat er net gebeurd is en hij klapt me op de schouder, Goed gedaan, wat een avonturen! Ik ben preuts maar ook trots.

Ik ben op, zegt Georg. Ik ook, man. Ja? Ik wil zo graag blijven maar ik kan niet meer. Hoe laat zou het zijn? Who gives a shit? We gaan nog even naar het zwembad en koelen af in de sproeiende pluimen van saunagangers die in het water springen en spelletjes spelen met de grote opblaasdieren.

Door de laatste kruimels xtc wentel ik als een zwaailicht, gelukkig zit ik, ik houd Georgs hand weer even vast, hij legt z’n andere hand op mijn schedel en tokkelt, het klinkt als een kudde herten die door het bos rennen. Ik zeg iets over interessante dingen. Wat? zegt Georg, en ik probeer mijn gedachten na te jagen, stuur teckels door de konijnentunnels van mijn denkwereld, oh ja, en ik zeg, Ik heb een hoop oninteressante dingen gedaan in dit leven, maar ik heb tenminste nog nooit een hangslot aan een brug geketend of geapplaudisseerd als een ober een glas laat vallen. Goed zo, zegt Georg.

We rijden weer naar de stad, de nieuwe dag in onze rug. We keren terug als mariniers die onbekend territorium hebben verkend en een bruggenhoofd vonden of nee we zijn foerageerders, als dat een woord is, we gingen heen om voedsel te vinden en we vonden armen vol verhalen en breinen volgepropt met liefde of nee we zijn astronauten of we zijn Charles Darwin op The Beagle of we zijn Russische wetenschappers op hondensleeën in 1769 die door Catharina de Grote naar de Poolcirkel zijn gestuurd om de Venusovergang te meten ter meerdere glorie van de tsarina maar ook ter uitbreiding van het menselijk begrip in deze auto die eenzaam in het verkeersvacuüm hangt, want als we de transit van Venus voor de zon langs heel secuur kunnen meten, kunnen we berekenen wat de gemiddelde afstand is tussen de aarde en de zon – de zogeheten Astronomische Eenheid – en dan kunnen we ineens ook heel veel andere dingen meten en weten en dat betekent weer dat we allerlei andere dingen kunnen loslaten, zoals bijgeloof en rare obsessies, pseudowetenschappen en ingesleten misvattingen over onszelf, over wat we willen en wat we nodig hebben.

Georg let op de weg en ik gaap, in onze oren horen we de beats en loops en drops die de afgelopen uren in onze cellen zijn gestampt en tot flinterdunne metalen platen zijn gerold waarmee we de binnenkanten van onze schedels hebben bekleed en als ik na het douchen in bed lig voel ik nog mijn kuiten spasmen en hoor ik de ritmes en de bass in de Venusovergang van mijn brein,

stuiterend
van oor naar oor.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Christiaan Ronda