papieren helden

FB

Warlichaam

Ik schreeuwde tegen mezelf in warlichaamstaal dat ik me nog wat vaker moest laten nemen als een hoer die er geen geld voor vraagt en smeet de deur dicht, liep naar de spiegel, trok hem uit zijn haken aan de muur, legde hem op de grond en ging er op liggen met mijn gezicht er tegenaan gedrukt zodat mijn neus een vijg werd en mijn tong cirkels kon likken met zichzelf. Ik ademde damp over mijn lippen en rechte mijn nek zodat ik elke mee-eter kon tellen. Ik gaf mezelf een kopstoot. Meteen gloeide mijn hoofd. Ik durfde niet kijken naar de ravage die ik had aangericht, dus rolde ik van de spiegel op mijn rug en huilde tegen het plafond in de hoop dat het op me zou vallen. Dat het alle kilte zou bedelven.

Rewind

Ik stapte langzaam de badkamer binnen, sloot de deur, ging met mijn voorhoofd tegen het afbladderende hout staan, sloot mijn ogen, ademde in en uit. Ik legde mijn handen op het hout langs mijn hoofd, drukte me er steeds harder tegenaan in de hoop dat het als een omhelzing zou voelen, wachtte tot de tintelingen in mijn gezicht wegebden en liet los, keerde me naar de spiegel. Ik zag er ouder uit, alsof de tijd in de wachtrij na jouw dood me verleerd had mezelf te blijven zien. Ik bestudeerde de rimpelingen die mijn gedachten op mijn gezicht brachten, ging zitten op de badrand en zuchtte, keek naar de verlepte kamerplant die ik water vergat te geven.

Rewind

Ik trok mijn kleren uit, eerst mijn top, dan mijn beha, mijn linnen broek vol kreuken en uiteindelijk de string die jij me gaf en waarvan het stiksel sinds de laatste wasbeurten lost, maar ik ben te lui het weer vast te naaien. Ik zette me op de badrand, stond weer recht, haalde de spiegel uit zijn haken aan de muur en ging erop zitten. Hij voelde koud aan tegen mijn verhitte scheenbenen. Ik kroop op mijn eigen voeten, schuurde mijn vulva tegen mijn linkerhiel aan, ik wachtte, ik plaste. Weet je nog hoe je tijdens een dronken bui geen onderscheid meer voelde tussen een orgasme en plassen, en hoe je mijn rug volspoot met pis in plaats van sperma, en hoe ik zo hard schrok dat ik gilde, en we nadien niet meer bijkwamen van het lachen. Je zei dat je blij was dat je niet kon blozen en sliep als een roos tot aan ’s anderendaags lunch.
     Ik piste de spiegel onder en kon niet naar mezelf kijken. Ik huilde. Ik huilde met een warme plas tussen mijn wreven en bleef zitten tot het was afgekoeld. Ik stond recht, hield alles zoals het was, liet voetafdrukken achter op de houten vloer in de gang en kroop mijn bed in. Ik lag wakker tot ’s anderendaags lunch. Dat is nu.
     Ik moet je schrijven, Daan. Misschien is dat alles wat ik nog kan.


*

Het was jouw broer die me belde. Totaal ontredderd. Hij kreeg zijn zinnen niet geordend. Wat ik verstond was dat er iets met je was gebeurd. Ik haastte me naar het ziekenhuis. Nog diezelfde dag zag ik je voor het laatst. Ik vond je zo onuitstaanbaar, met jouw ogen die gesloten niets tegen me zeiden en je borstkas die koos voor staticiteit, al weet ik niet of borstkassen een keuze hebben, dus bleef ik de week tot aan de begrafenis weg bij het funerarium.

En ik zag je nooit meer.

Ik zag nooit meer hoe je met je handen door de kuif van je haren streek, hoe je koffie zette met onnodig veel kabaal, hoe je ‘blijf’ fluisterde en me kuste op het puntje van mijn neus, hoe je danste in de keuken alsof je leven er vanaf hing, hoe je je neefje jouw nagels liet lakken, altijd maar weer in een ander kleur, hoe je weigerde te eten met mes en vork, hoe je

Doodging alsof het niet moeilijk was.
Je stapte gewoon de deur uit en kwam nooit meer terug.


*

Postmortale hersenactiviteit blijkt een feit, al spreken studies elkaar tegen over hoe lang die duurt. Ik denk soms dat je gecremeerde hersenen in de urne naast onze tweezitter exact weten hoe ze bij me binnen moeten dringen.
Soms praat je tegen me.

Blijkbaar flitsen de hoogtepunten van mensenlevens aan een stervenden voorbij, als instagram highlights. Ik heb me al vaak afgevraagd wat van ons overbleef in jouw doodgaan.


*

Ik slaap al dagen naast een artisjok. Intussen krijgt ze donkere vlekken. Eerst omdat ik mezelf wou dwingen te eten, liefst gezond, daarna om van dichtbij te kunnen zien hoe iets rot en doodgaat.
Obsessief wrijf ik over het plekje op mijn gezicht waar mijn wenkbrauw overgaat in mijn slaap. Misschien moet ik je in een toverspreuk stoppen en denken dat mijn hoofd een lamp is. Er zijn verhalen die vertellen dat het zo werkt. Het is enkel een kwestie van de juiste lamp vinden, en jij noemde me meestal een groot licht en een wonderlijke vrouw (tenzij ik links afdraaide toen jij 'hier naar rechts' zei). Als ik die twee samenvoeg zou het moeten kloppen.


*

Misschien moet je tevreden zijn met wat je hebt, zei de acupuncturist die me weer in evenwicht probeert te brengen
Misschien is dat waar
Misschien moet ik tevreden zijn met een dode Daan die ooit levend was, met het zien van de barst in de vaas die jij lijmde als kinsukuroi, met de plek in de zetel waar jij steeds een kuiltje in zat, met de kruidenpotjes in een doos in een schuif in een kast, met op het doucheraam de sticker 'lekker dier' en daaronder de foto van een blobvis, met het feit dat dat alles er nog is, dat je er nog kan zijn in dingen die niet dood zullen gaan
Misschien moet je tevreden zijn met wat je hebt, zei ze


*

Ik kan alleen maar denken aan lekkere mannen in een badkuip, lekkere mannen in een badkuip, lekkere mannen in een badkuip, lekkere mannen in een badkuip, lekkere mannen in een badkuip, lekkere mannen in een badkuip, lekke mannen in een badkuip, lekke mannen in een badkuip, lekke mannen in een badkuip, lekke mannen in een badkuip, lekke mannen in een badkuip, lekke mannen in een badkuip


*

Misschien moet je terug op Tinder gaan, zei de acupuncturist
Misschien is dat waar
Ik installeer de app en maak een profiel aan
Swipe
Yorgos heeft een spleet tussen zijn tanden, laat maar, Michiel heeft een foto met een hond en nog een hond, laat ook maar, Jassin zegt dat hij van poëzie houdt, interessant, maar laat toch maar, Daan wil naar de bergen, en de wolken, en de lucht en het vuur
Daan wil naar de bergen
Jij wil naar de bergen
Jij wil de lucht aan de voet van de bergen en hoe je ervan in de wolken geraakt.
Jij wil dood zijn
Jij
Ik verwijder mijn profiel en smijt de app van mijn smartphone


*

Ik nodigde een man uit
Hij kwam aan de bovenste lade van de meest rechtse keukenkast, je weet wel, die ene die wat losser zit
Hij schoof ze open en ik dacht:
Ik moet de lade fiksen en deze man opnieuw in mijn keuken planten
Zodat hij kan voelen dat niets hier op losse schroeven staat
Dat ik alles kan oplappen

Daarna dacht ik
Hij geeft geen fuck om de lade van mijn keukenkast
Laat staan om mij

We neukten tot hij weer verdween
Ik huilde mezelf in slaap


*

Daan, stel je eens voor dat ik zwanger kon worden van een ei en bijgevolg van zo'n ei zou bevallen, en dat die bevalling voelt als een orgasme, en de traditie is dat ik al het bloed en de slierten moederkoek van de schaal zou likken, en ik daarna dat ei moet stukslaan en roeren, tot alles één grote, niet meer uit elkaar te filteren brei zou zijn die ik besluit op te eten zodat ik er voorgoed vanaf zou zijn, tot ik moet vaststellen hoe ik het goedje in zijn volledigheid weer uitkak, alsof er enkel nog eieren uit mijn kut of aars kunnen komen, en ik me blijf voeden met wat ik zo nodig wil afscheiden.
Stel je eens voor.


*

Ik dacht aan die kaars in de vorm van een geërecteerde penis die ik op mijn 20e van vrienden kreeg om alle bad vibes van jonge mannen weg te branden, dat ik die al die tijd in een doos in de kelder bewaard had en kon tevoorschijn halen als ik wou, dus nam ik hem uit de doos, waste de dofheid eraf, liet hem een dag drogen, en schoof mezelf er overheen alsof ik ging paardrijden, maar dan inwendig opgevuld met was, en ik ging snel tekeer terwijl ik de wassen teelballen stevig tegen de vloer drukte zodat het pronkstuk parmantig omhoog reikend op zijn plaats zou blijven, en ik voelde hoe die genotsknots me alles gaf waar ik zo naar verlangde, ja, wat vulde het me helemaal, vermenigvuldigde wat door me raasde als een toeterende trompettenstoet, en ik dacht aan jou, Daan, en aan nougatbollen, dat heb ik in een dozijn als het op jou aankomt, en aan de verlepte tomatenplantjes op de vensterbank van de buren, en aan de plakkerige kookplaat, dat ik principieel laat aankoeken, en aan Ben uit mijn klas, heel vroeger, die met zijn vinger ostentatief in zijn neus peuterde en heelder slierten uit zijn neusgaten pulkte om die dan één voor één op te eten, en weer dook jij op tussen die taferelen in mijn hoofd, en dat allemaal terwijl ik die kaars aan het berijden was, en ik weer geen inspiratie vond voor het eten dat ik die avond zou bereiden, en dat ik waarschijnlijk weer een doos schepijs met bresiliennenootjes en discobollen en van die goedkope slagroom uit een spuitbus en voor de vorm wat voorgesneden fruit uit een potje ‘tropische mix’ zou eten.


*

Weet je, het is zo vreemd, ik heb seks met ze, intens soms, en daarna nemen ze me in hun armen, ze zoenen mijn voorhoofd, drukken zich indommelend tegen mijn klammige lichaam aan, fluisteren welterusten, snurken de nacht vol, en ik lig daar, te wachten tot het ochtend is, en in de ochtend vertrekken ze, zeggen ze zonder woorden tot nooit meer, en leg ik me weer in bed in de hoop dat de warmte nog onder het deken ligt, heel even, zodat ik me kan opwarmen, heel even, zodat ik kan wachten tot het avond wordt, en ik kan hopen dat de warmte zal terugkomen, dat er opnieuw een arm zich slapend om me heen slaat en bij me blijft. En dan wordt het avond en is het stil in bed, is er niemand dan de leegte in de slaapkamer en ik die mezelf hoor ademen en jou niet kan vergeten.

Want weet je, het is zo vreemd, soms voelt het alsof je in de muren zit te wachten tot je klaar bent om terug te komen, alsof je daar veel te lang hebt staan schilderen, laag per laag per laag, tot je doorkreeg dat het absurd was, dat je beters te doen had, dat je liefde te geven had, dat je hart liefde wou blijven geven in plaats van stoppen met slaan, dat we zouden zijn, dat we zouden blijven.

Ik hoop altijd dat ze blijven, die mannen. Daan.


*

Moet je nu eens weten. Vandaag liep ik naar de kruidenier en ik zag een rammenas tussen het aanbod groenten liggen. Terwijl ik me afvroeg hoe sappig hij zou zijn, greep ik de dikste tussen de bulk en sloeg hem meermaals tegen de rand van de groentebak in de hoop dat hij zou breken. Er schoot verpulverde rammenas als confetti in het rond. Ik was zo opgetogen dat het leek te lukken, waardoor ik bleef slaan en er een stuk afbrak dat over de vloer rolde en uitkwam bij de verkoper. Ik liep ernaar toe, verbaasd dat rammenassen niet sappiger zijn dan aardappelen, en wilde weten of de groente te persen valt voor van die hippe groentesappen die je tegenwoordig in trendy koffiebars vindt, dus perste ik mijn voet hard op het stuk aan de voeten van de verkoper en ik lachte, oh wat lachte ik, ik lachte de inhoud van mijn maag bijna uit mijn lijf maar omdat ik die dag nog niet gegeten had gebeurde er niets buiten eindeloos gieren van het lachen, en lekker heen en weer shaken met die voeten zodat het sappiger en vettiger zou worden, en toen zag ik de afgunst in de ogen van de verkoper en hoorde ik hem brullen dat ik die rotzooi moest proper maken en betalen, en dat ik hulp moest gaan zoeken want ik me knettergek gedroeg en oh, wat moest ik lachen, ik lachte met die gekheid van de verkoper, die het leven, en zo ook zichzelf, veel te ernstig bleek te nemen, dus begon ik nog harder te schudden met mijn lichaam, ik schudde alles los, zo snel dat ik het opzetstukje van een elektrische tandenborstel werd, ik kon mezelf niet meer volgen, alles schudde ik los, en ik maar gieren en gieren, niemand lachte mee. De verkoper griste de rest van de rammenas uit mijn handen en duwde me van de toonbank vandaan richting de uitgang en ik kwam niet meer bij van het lachen, oh wat moest ik lachen met zijn idioot gedrag, wat stelde hij zich toch aan, die verkoper zonder enig gevoel voor humor, die niet zag hoe er elke dag confetti kon zijn als we wilden, elke dag een dikke vette party als we wilden, als we wilden wild zijn, wij wilden, maar neen, hij duwde me de straat op, eiste nog wat munten voor de geleden schade, die ik niet op zak had, spuwde op de grond naast me en beval dat ik zijn winkel nooit meer zou betreden, dat het verboden was voor bezeten vrouwen, dat ik onheil bracht en ik mezelf maar moest rammen met rammenassen die ik in het bezit had in plaats van oneerlijk toe-eigende, en ik vond dat goed bedacht ‘mezelf rammen met rammenassen’, het klonk als een mirakel dat Jezus zelve had bedacht, maar dan noodlottiger. Wat een hilarische namiddag was me dat, Daan, jongens toch, echt compleet van de pot gerukt die verkoper en ik zal vanaf nu elke dag mezelf rampzalig rammen met rammenassen, dat kan ook, en dan is er elke dag feest, eindelijk. Ik kom echt al uren niet meer bij van het lachen, Daan, wat een hilarische namiddag, wat een hilarisch namiddag!


*

Er was eens een dag, heel heel lang geleden, waarop de wolken de blauwe lucht bedekten met hun ruwe dampende vormen en de bomen kaal werden lang voor mijn buurman dat was en mijn zus en ik ons met de fiets naar het bos repten om tegen de opkomende donkerte in te gaan naar een plek ergens diep tussen de stammen waar alles in een hoop op elkaar aan het rotten was en mijn zus uiteindelijk een zakje in de grond begroef. Het was een klein zakje, een klein, wit zakje gevuld met iets wat ze me nooit vertelde en waar ze erg om had gehuild nadat ze het in de kuil stopte en met aarde en takken en bladeren en met spijt bedekte. Spijt, ja spijt. Spijt was wat ik in haar blik zag opborrelen. Spijt om wat ze zichzelf niet had gegeven. Gisteren wilde ik het weten. Ik wilde weten wat ze verstopt had. Gisteren wilde ik weten of het iets met me zou doen, dat wat ze verstopt had. Of ik wijzer, rijker, of losser zou worden, en verlost, en finally in staat om te kotsen. Ik stapte uren met kapotte laarzen richting het bos omdat ik geen zin had in fietsen en mijn wandelschoenen zich al veel te lang waterdicht waanden zonder het te zijn. Ik had al twee blaren nog voor ik er goed en wel was en toch liep ik vlijtig voort en ging ik op zoek naar die vlakte diep in het bos. Ik zocht en zocht en zocht en hield halt, groef in de aarde, liet alles waarin ik gewoeld had zoals het was, want de gaten in mijn lijf gaapten evengoed en daar zorgde ik ook niet voor, en liep ik van vlakte naar vlakte en groef kuilen en kuilen en nergens vond ik het zakje terug. Ik werd woester en ging in een sneller tempo te werk. Wanneer de zon onderging, nam ik de zaklamp en klemde die tussen mijn tanden. Na een tijd leek het alsof de hoeken van mijn wijd opengesperde mond zouden scheuren. Maar ik zette door. Ik wilde weten waar het zakje was. Pas toen het begon te hagelen stopte ik. Door me zo te focussen op de bodem van het bos had ik niet opgelet waar ik me precies bevond ten opzichte van de straat, dus duurde het nog minstens een uur voor ik de uitweg vond. Pas dan besefte ik dat het aan het stormen was. Ik repte me naar een bushalte en helemaal doorweekt stapte ik nog eens een halfuur later op een propvolle bus. Allemaal mensen. Mensen met laarzen en wandelschoenen die waarschijnlijk net als ik het plan hadden opgevat om naar het bos te trekken en het weerbericht vergaten te checken. Ik plakte bijna tegen de voorruit van de bus, zo vol zat die. Thuis hing ik alles te drogen op het wasrek in het berghok en stuurde mijn zus een bericht met de vraag wat ze destijds eigenlijk had begraven en in plaats van te antwoorden schreef ze: alles wel oké met je, lieve zus?
Om te kotsen, die mensen, waarom draait alles altijd anders uit dan ik wil en werkt het leven me massaal tegen. Ik stuurde een foto van mijn kloverige vingers met hun rouwranden en antwoordde: ik heb het niet gevonden ook al ben ik beginnen zoeken nog voor het donker werd.
Ik sprong onder de douche en stak mijn middenvinger uit naar de blobvis die me idioot aanstaarde terwijl mijn verkleumde lichaam de lucht in schoot omdat het water me in brand leek te zetten.


*

Gisteren besliste ik dat ik een hond wilde. Zo een grote met lange haren. Ik besliste dat ik een hond wilde nadat ik in de ogen van een man keek. Die hadden zo’n angstige blik dat ik begon te zorgen. Hij vertelde dat hij het wel vaker had. Dat zijn penis als een wispelturige kat was. Ik snapte die vergelijking niet goed en hij leek te wachten tot ik zou uithalen, maar alles wat ik voelde was zacht. Hij was plots zo klein geworden in mijn handen. Ik streelde zijn rug, benadrukte dat het goed was zo en hij mocht loslaten bij mij. En ik dacht aan die keer met jou. Dat je hetzelfde tegen me zei toen ik niet nat werd, omdat ik zo overspannen was door een ruzie die ik net met jou had uitgepraat over een ruzie die ik met mijn zus had, die op haar beurt ruzie had met haar intussen ex-vriendin Rinke, die op haar beurt een fundamenteel probleem heeft met het leven en daar zelden een blijf mee weet en waarvan mijn zus telkens weer de dupe was. Eerst werd jij en daarna ik onzeker van mijn vaginale droogte, tot je besloot dat het er allemaal mocht zijn en we ook gewoon heerlijk in elkaars armen konden ontspannen en ik nadien voelde hoeveel beter dat voor me was geweest dan een vrijpartij. Met die herinnering in gedachte streelde ik de rug van de man in mijn bed – Lodewijk heette hij, als een ridder – en herhaalde dat het helemaal oké was. Hij sloot zijn ogen. Ik ging met mijn vingertoppen door zijn haar, over zijn wangen, voelde zijn ruggenwervels één na één, streek met het puntje van mijn neus over de zijne, blies zachtjes warme lucht in zijn hals, legde me dichter tegen hem aan en ademde langzamer en langzamer. Ik ademde hem in slaap. Hij bleef tot de ochtend en nam me na het ontwaken mee voor een ontbijt in de stad. Aan zijn fietssleutel bengelde een minitatuurzebra. Hij beweerde dat het een cadeautje van één van zijn petekindje was. Ik vroeg me af hoeveel petekindjes hij precies had. Drie zo bleek. Dat leek me onhandig veel. Hij kwam uit een kroostrijke familie met vijf zussen die allemaal al minstens één kind baarden. Was ik blij dat ik maar één zus had en we niet deelnamen aan Katholieke tradities. We bestelden havermoutpap en zoete aardappelwafels met twee koffies die hij koste wat kost wilde betalen. Op het einde propte hij een papiertje in mijn handen, zoende mijn slaap gedag, fluisterde dat ik lief was en vertrok. Hij had zijn nummer op de achterkant van een reclamefoldertje geschreven en er een varkentje bij getekend. Ook dat snapte ik niet helemaal, dus maakte ik in gedachten van hem een dierenliefhebber. Een of andere boer met varkens en poezen, of een dierenarts, of iemand die een dierenasiel openhield, al weet ik niet of er varkens zitten in zo’n asiel. En toen besliste ik: ik ga een hond in huis halen. Ik zocht online naar het dichtstbijzijnde asiel, ging kijken of er honden waren en hoe die honden waren, want wie honden naar een asiel brengt doet dat natuurlijk niet zonder reden. Op de heenweg smeet ik de reclamefolder in een afvalbak op de hoek van een drukke straat, waar bussen en auto’s en fietsers altijd tegen elkaar lijken te willen rijden zonder het ook effectief te doen, nadat ik Lodewijk een hondenemoticon stuurde omdat ik dacht dat hij dat wel fijn zou vinden.

Het asiel was gigantisch. Echt buitenproportioneel. Ik stelde me vragen bij hoeveel dieren ongewenst worden doorheen hun leven. Of hoeveel eigenaars van dieren dood gaan doorheen het leven van die dieren. Of hoeveel mensen gaan samenwonen met een nieuwe partner die dan heel toevallig een dierenharenallergie heeft. Zouden mensen dat ook soms met hun kinderen hebben? Dat ze zich bedenken nadat hun nageslacht geboren is? Anyway, het dierenasiel was immens groot waardoor ik verloren liep in mijn zoektocht naar de hondenafdeling. Ik slalomde tussen een jungle aan ding en dier als was ik een beoefende skiester. Een Ski-ster. Wat een beeld. Een ster zal ik nooit worden in de skiwereld. De laatste keer dat ik lessen nam, hoorde ik de instructie ‘you have to balance’ als ‘you have to bounce’ en ging er danig mis, inclusief de niet te houden ergernis van de instructeur. Niet te houden die vent, echt, toen ik bijna achterover de ravijn in viel door mijn geklungel. Ook dat was buitenproportioneel, zijn reactie. Maar dus, de hondenafdeling. Die lag ergens
weet-ik-veel-hoe-ik-ze-had-moeten-vinden-zonder-aanwijzingen-van-een-medewerker. Op zo’n plek lag die. Toen ik toekwam zag ik honden opgestapeld bij elkaar een bergje vormen. Geen idee of ze elkaars warmte of liefde zochten, want het was er echt wel behoorlijk koud in dat asiel, en ik kon absoluuuuut niet uit elkaar halen welke staart nu bij welke snuit hoorde, dus dacht ik: ik maak het geluid dat mensen maken als ze een hond willen lokken. Echt, Daan, je had het moeten zien gebeuren. In een mum van tijd al die koppen recht, oren de lucht in, en sommigen blaffen en janken, alsof ik iets vreselijk bedreigends gedaan had. Toen ze me gadesloegen en de wallen onder mijn ogen zagen die weerspiegelden hoe weinig kracht mijn lijf had om opgewassen te zijn tegen een horde honden, legden de meesten hun koppen weer neer op twee na. Eéntje kwam mijn richting uit. De andere volgde. Ze snuffelden afwisselend tussen mijn benen (daar rook het nog naar bijna-seks). De ene keek me recht in de ogen, de andere vlijde zich kronkelend tegen me aan als een uit de kluiten gewassen poes en rolde op zijn rug met zijn poten de lucht in. Toen ik de rijen tepels zag, besefte ik dat de hond eigenlijk een zij was en ik er om een onduidelijke reden vanuit ging dat alle honden in het asiel reuen waren. Uit nieuwsgierigheid keek ik onder de andere hond en ook zij was een teefje. Wij teven trekken elkaar aan, dacht ik, en ik herinnerde me dat mijn zus haar ex Rinke het scheldwoord achterlijke teef durfde gebruiken tijdens een meningsverschil om daarna te beweren dat ruziemaken met twee gebeurde nadat mijn zus uit zelfverdediging gepikeerd reageerde. De verhalen over Rinke rinkelden bij mij altijd het belletje van relationele schadelijkheid en gebrekkige zelfbeheersing. Ik had plots erg met mijn zus te doen en besefte dat ik haar laatste bericht waarin ze me vroeg of alles oké was nog niet had beantwoord, net als haar e-mail en gemiste oproepen die daarop volgden. Ik besloot een foto te trekken van de twee honden met de boodschap dat ik mijn zielsgenoten gevonden had en Rinke haar bek moest houden met haar geteverij (dat woord bedacht ik zelf). Ik denk dat mijn zus gerustgesteld is nu ik hier thuis twee teven heb zitten, naast me op de bank. Heerlijk. Heerlijk. Echt waar.


*

Ik begin in mezelf te praten, en vlei me in de zetel tegen een dik kussen en een hoop fleecedekentjes aan alsof jij het bent en ik vertel je hoe ik mijn schaamhaar weer ben beginnen scheren voor jou. Ik toon het je. Streel de zachtheid van de fleece die je bent en kleed je uit, dan mezelf, en ik kruip op ons, beweeg op ons, kom op ons. Mijn hele lijf schokt. En ik val op je neer, hoor het zoemen van de lamp in plaats van een ademhaling, zie mijn vocht op het dekentje, zie mezelf. Een naakt lichaam in een kamer waarin ik warmte probeer te stoppen met hopen kaarsen, sfeerlicht, nieuwe boeken, kunst aan de muur, foto's vol liefde, lege wijnflessen en de sierlijkste glazen, een donker tapijt waarop enkel nog een poes ontbreekt, mezelf in de zetel tussen hopen textiel, in een poging heling te vinden.

Ik kan niet anders dan uitkomen bij verdriet.


*

Daan, ik zoek je overal. Bij de ene die zacht fluistert dat hij gaat klaarkomen, de ander die transformeert tot een spartelende vis, en alle schakeringen daartussen waarin ik je wil tegenkomen,

De stuiptrekkingen

De rode vlekken

De scheve mond

De kreuntjes

De fuckfuckfuck geile teef

De mag ik in je gezicht spuiten

En degene die mijn naam herhalen als een mantra

Ze doen het allemaal. Zeggen hoe heerlijk ik zuig of hoe prachtig mijn lichaam of hoe wild de wildernis in me woelt of hoe bezeten ik wil vergeten of hoe de driftigheid in dat samenzijn en ik heb het al zo vaak gehoord dat ik niet meer weet wie ik nu eigenlijk ben,

want liefde zit niet in woestenij verborgen.

En weet je Daan, het ergste is dat ze allemaal liegen. Ze liegen in gebaren dat ze een wereld zijn, maar als ik dichtbij kom voel ik hoe dat eigenlijk een afgrond is.

Ik weet nu

Er bestaat geen dubbel van jou

Er bestaat geen dubbel van mijn pijn, al gaan er miljarden mensen dood en weten zovelen hoe het is liefde kwijt te geraken

Ik weet nu

De dag dat de dag nooit begon, was het koud

En je lag daar, stiller dan ooit

Tijd verdween in je tot een eeuwigheid

waar je nooit meer uit geraakt

Ik vervormde mee

want rouwen is als blijven persen in een uitgeperste citroen

Ik ben

Vandaag verdrietovergoten

Alsof je een slakkenspoor

op mijn huid

achterliet en geen waters

het kunnen wegwassen

Weet je

Aarzeling was er ook

die dag

Hoe mijn hand niet naar je toe ging

om te voelen of het echt was

De dood

die in je lijf gekropen was

Alsof niet weten

gelijk was aan niet zijn

Alsof iemand er ooit om vroeg

opgezet te worden

Stilte is nooit stilte

Ze zoemt

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Lene Beelen