Ik heb hem twee keer in mijn leven ontmoet, één keer op de Zeeweg en de andere keer in de Stationsstraat. Hij was geen wolf en ook geen huiskat, hij was gewoon een mens. Hij was niet doorzichtig en ook niet ondoorzichtig, hij was niet veel en ook niet weinig... Toen hij een keer op reis ging, riep de baliemedewerker: ‘Laat je paspoort zien!’ Daarop haalde hij een halve appel uit zijn zak en zei: ‘Deze helft is mijn paspoort. De andere helft is opgegeten door een kat die op de vlucht was voor Poolse treinen.’
Op de universiteit was hij verliefd geworden op een meisje met vlechten in haar haar. Hij sprak met haar af op de binnenplaats in de tuin en steeds weer zei hij slechts twee letters (de b en de h) en daarna zweeg hij. Dat maakte dat ze het alleen tijdens de studie met hem heeft uitgehouden. Hij blokte nachten door, als een ster die de dag is vergeten. Daardoor stond hij bekend als de nerd van de universiteit, hoewel hij nog nooit een examen helemaal had afgemaakt. Hij ging de examenruimte binnen, met een hoofd vol vragen en antwoorden, nam plaats op een stoel, beantwoordde de helft van de vragen en leverde vervolgens zijn blaadje in.
De enige keer dat hij bijna iets had voltooid was in een vriendschap. Maar ook dat was niet gelukt. In de zesde klas had hij Nadir leren kennen en om een of andere onbenullige reden, die te maken had met een halve sandwich, waren ze vrienden geworden. Dat was zijn enige kans geweest om iets tot een goed einde brengen. Maar Nadirs voeten hadden ‘nee’ gezegd en na een vriendschap die tot de zesde klas had geduurd was zijn vriend naar Turkije ontsnapt om daar te studeren.
Hij was intens verdrietig om het verlies van al die helften, waardoor hij het gevoel kreeg dat alles wat met mensen te maken had ergens in het midden eindigde. Dat was het moment waarop hij op het idee kwam om vriendschap te sluiten met een kat. Op een middag besloot hij een steeg in te lopen en de eerste de beste kat die hem voor de voeten liep te vangen. De eerste die hij zag was een zwarte kater, met midden op zijn lichaam een streepje nacht. De kat verzette zich niet. Daardoor kon hij het dier snel in zijn armen nemen en naar huis brengen. Maar een paar uur later ontdekte hij dat de kat niet kon rennen, omdat hij half verlamd was.
Het echte leed begon pas nadat hij in de zesde klas van de middelbare school een hoog cijfer had gehaald, uitgerekend op een moment dat hij dacht dat hij op een normale manier door het leven kon gaan. Toen zijn moeder zag dat hij tot middernacht sliep, de helft van zijn eten opat, midden op straat bleef staan en de helft van de mensheid haatte, raadde ze hem aan om een arts te raadplegen. Hij ging naar een psychiater en bleef daar een halfuur zitten, zonder zelfs maar een half woord uit zijn mond te krijgen. Nadat hij de diagnose van de dokter had aangehoord, zei hij: ‘Het is niet zoals mijn moeder u heeft verteld. Ik heb alleen maar problemen in één helft van mijn leven,’ en hij vervolgde: ‘Wij Palestijnen zijn eraan gewend dat dingen half zijn, dokter, we leven een half leven. We hebben de helft van een land in handen, we hebben de helft van ons leven verspild met wachten op redding, we beminnen half, we huilen half en onze moeders offeren de helft van hun leven op voor het martelaarschap van hun zonen. Ik heb met geen enkele helft een probleem, dokter, behalve met die ene.’
Grijnzend vroeg de dokter: ‘Over welke helft heb je het?’
‘De helft van de appel! Denkt u zich eens in, dokter, dat ik niet meer in staat was de tweede helft van die appel op te eten. Ik houd meer van appels dan van wat dan ook en het doet me verdriet dat ik die appel niet heb kunnen opeten. Daarom heb ik geen zin meer om welke helft dan ook in mijn leven af te maken. Heeft u ooit met een dergelijk probleem te maken gehad?’ De dokter verzonk in een halve stilte tot het consult was afgelopen.
Op een dag zei zijn vader: ‘Ik ga met mijn vrienden naar de zee. Het is prima weer om op mensen te vissen.’ Daarna vroeg hij lachend aan zijn zoon: ‘Ga je mee?’ En hij ging mee. Halverwege de Zeeweg kwam zijn vaders auto in botsing met een vrouw in een auto die van de andere kant kwam. De helft van de inzittenden van beide auto’s kwam om het leven, maar hij behoorde tot de helft die ongedeerd bleef. Enige tijd na het ongeluk vroeg hij op een namiddag aan zijn moeder: ‘Waarom is mijn rechterhelft niet geraakt, net als mijn linkerhelft? Ik had samen met mijn vader moeten sterven.’
Onze vriend studeerde af met een laag cijfer, precies een half punt hoger dan het minimum. Vanaf dat moment begon de worsteling van het zoeken naar werk. Hij solliciteerde op veel banen, en toch kreeg hij maar één uitnodiging voor een gesprek. Hij trad voor de commissie, die bestond uit vier personen, en antwoordde op al hun vragen.
De eerste vroeg: ‘Hoe heet je?’
‘Ik heet Weinig... of Veel,’ antwoordde hij.
De tweede vroeg: ‘Hoe oud ben je?’
‘Halverwege de twintig,’ antwoordde hij.
De derde zei: ‘Vertel eens iets over je ervaring.’
‘Ik ben half ervaren,’ antwoordde hij.
De vierde vroeg: ‘Denk je dat je weinig bent, of veel?’
‘Veel!’ antwoordde hij lacherig.
De commissie was te spreken over zijn zelfvertrouwen en hij kreeg een contract voor een halfjaar. Maar na drie maanden moest de verantwoordelijke ambtenaar hem meedelen dat de financiering van het project was gestopt: ‘Het spijt me, je kunt je contract niet uitdienen bij ons.’
Intussen zette zijn moeder alles op alles om hem aan de vrouw te krijgen. Samen met zijn halve appel serveerde ze hem ’s ochtends het woord ‘huwelijk’ bij het ontbijt, en ’s avonds zei ze: ‘Ik wil iemand die samen met mij het huishouden doet. Ik ben het zat.’ En omdat hij ’s avonds te lamlendig was om op een elegante manier zelfmoord te plegen, stemde hij toe. ‘Maar,’ zei hij, ‘op één voorwaarde...’
‘Zeg het maar, lieverd.’
‘Ik wil geen mooi en ook geen lelijk meisje, niet arm en niet rijk. Ik wil iets ertussenin, moeder.’
‘Dat is een onredelijke eis. Ik zoek de vrouw voor je die ík wil.’
De volgende dag stond zijn moeder al bij hun buurvrouw Oemm Sa’di in huis om de hand van haar jongste dochter Reem te vragen. Binnen een maand zaten onze vriend en zijn echtgenote samen op één kamer, na een huwelijksnacht die voortijdig was afgebroken vanwege een defect in de generator. Reem ontdekte zijn halfslachtigheid pas toen hij niet in staat bleek een hele nacht naast haar door te brengen. Hij wilde voortdurend seks met haar hebben, maar halverwege de gemeenschap sloeg hij op de vlucht als een wilde hond en bleef Reem in bed naar zijn schaduw zoeken. Er was nog geen halve maand verstreken of ze was alweer terug in haar ouderlijk huis. Onze vriend gaf zijn moeder de schuld: ‘Ik had toch “iets ertussenin” gezegd? Waarom moest het zo nodig helemaal?’
Een klein jaar na zijn scheiding stierf zijn moeder en bleef hij alleen achter. Als hij om haar treurde in de verlaten nacht, ging hij voor zijn doormidden gebroken spiegel staan. Dan huilde zijn rechteroog, maar zijn linker weigerde zelfs te knipperen. Waarom zou zijn ene oog moeten huilen als zijn andere het al deed?
Toen hij werd geboren, was hij halverwege de bevalling blijven steken. De ene helft was al naar buiten gekomen, terwijl de andere nog in de baarmoeder zat. ‘Het is een moeilijk geval,’ had de dokter gezegd, ‘want de ene helft van zijn lijfje is minder gehecht aan het leven dan de andere.’ Zijn moeder had heel lang moeten wachten voordat zijn andere helft het leven accepteerde.
Ik heb hem voor het eerst op de Zeeweg ontmoet. Hij liep daar alleen, als een vreemde droom. Ik slenterde wat rond, op zoek naar een nieuw verhaal, toen ik tegen hem opbotste.
‘Sorry,’ zei ik, ‘goedenavond.’
‘Geeft niet,’ antwoordde hij, ‘ook goedenavond.’
‘Kun je je even voorstellen, beste man?’ vroeg ik hem.
‘Ik ben Veel,’ zei hij en hij liep verder.
Het was vroeg in de ochtend en het geluid van zijn koffer, die hij over de grond sleepte, klonk de volgende dag nog steeds in mijn oren.
De tweede keer dat ik hem zag, zat hij op een ijzeren stoel in de Stationsstraat. Hij zag eruit als een gedresseerde wolf of een huiskat. Ik liep recht op hem af en vroeg: ‘Waarom vertel je me nooit iets, Veel?’
Hij onderbrak me en zei: ‘Ik ben niet Veel, ik ben Weinig. Heel Weinig.’
Het volgende moment zag ik hem wegrennen, een zijstraat in.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.