papieren helden

FB

Wat niet vergaat



Halfwas waren we, nog net geen twintig, broertje.

Die lamlendige periode na het eindexamen. Voordat het woekeren begon.

Het boek over de kruidendokter kwamen we tegen bij een kringloopwinkel. Je viste het uit de bak met streekromans. Op het vergeelde omslag staat een tekening van Willem in pak. Het pak is bruin, zijn snor ook. Achter hem de contouren van zijn villa.

Kijk, zus, zei je.

Dit is een collector’s item.

Dit wordt onze held.

Dit is cult.

Je zei: Laten we een film gaan maken.




img





Wanneer twee objecten zodanig met elkaar verbonden zijn dat het ene niet meer volledig beschreven kan worden zonder het andere specifiek te benoemen, ook al zijn beide ruimtelijk gescheiden, heet dat kwantumverstrengeling.

Zo voelt afstand tussen ons, broertje, nog steeds als ‘wij’.

Superkrachten bestaan niet, stuur ik je.

Uiteraard krijg ik geen antwoord.




img





Op de nieuwjaarsborrel van mijn uitgeverij spreek ik een oud-majoor met schrijfambities.

Hij drinkt cola, zegt dat het belangrijk is om mens te blijven in een oorlogssituatie.

Ik knik.

Hij vraagt waar ik woon.

Onder de rivieren, zeg ik.

Vlak bij mijn moeder.

Ik wandel elke dag met haar.

Goh, zegt hij.

Daarna vertelt hij dat mensen tijdens dit soort feestjes vaak nieuwsgierig zijn naar of hij wel eens iemand doodgeschoten heeft.

Het is net als met een gebroken been, zegt hij. Alleen in het begin is het leuk om erover te praten.




img





Als ik aan vroeger denk, broertje, denk ik aan de sporen die je in mijn leven achterliet.

Legostenen, uitgedroogde broodkorsten.

Schelpen, vogelveren, snotjes aan een stoelpoot.

Die laatste zomer lag de trap vol met aan jou geadresseerde brieven van universiteiten, afgetrapte sneakers, stinkende hoody’s en lege sigarettenpakjes.

Mama ontplofte regelmatig, riep dat ook zij er genoeg van had. Vervolgens kreeg ze steevast spijt, raapte alle rondslingerende kledingstukken op, vroeg of ze nog iets lekkers kon meebrengen uit de supermarkt.

Als ik aan vroeger denk, verbaas ik me erover dat je zomaar spoorloos uit ons leven kon verdwijnen.




img





Mijn broer en ik waren idolaat van dit verhaal, zeg ik tegen Amber. Ze belt namens de stichting die me deze opdracht geeft, informeert of ik al weet waarover het zal gaan.

Ik begin meteen over de kruidendokter.

Een vergeten geschiedenis, zeg ik.

Maar de thema’s zijn tijdloos.

Willem kwam uit deze streek.

Met die deadline lukt het zeker, stelt ze me gerust.

Het is in ieder geval nooit eerder misgegaan.

Ik zeg dat ik vereerd ben, dat ik mijn best zal doen.

En Amber zegt: We hebben er alle vertrouwen in.




img





Hier zou je vast enorm om kunnen lachen, broertje.

Dat ik onze manie probeer om te vormen tot een klus.

Tot iets waaraan voldaan kan worden.

Wat zei je ook alweer?

Deadlines zijn een rollator voor de slecht schrijvende.




img





Onze stad noemden we ‘zielloos’ en onze kinderjaren ‘een ramp’.

We moeten door, zei je. We moeten verder.

Geloof me, broertje, ik heb het geprobeerd.

Tot ik me genoodzaakt voelde terug te keren.

Sinds ik hier weer woon kom ik overal herinneringen tegen.

Ze kleven aan de straten, aan de snoepwinkel in het centrum waar we ons zakgeld opmaakten, het verweerde steigertje waar we die eerste sigaretten rookten.

De tijd een schijnvertoning tussen toen en nu.




img





Constant had me een ultimatum gegeven. Hij meende dat we vastzaten in onze relatie, alleen verder konden komen als we de plek opzochten waar het probleem begonnen was.

Met ‘het probleem’ bedoelde hij mij.

Je wil niet blijven dwalen, zei hij.

Ik antwoordde: Misschien heb je gelijk.

De angst nog iemand kwijt te raken overheerste, broertje.

Volgens Constant was dit het begin van een nieuw hoofdstuk.

Hij pakte het meteen heel grondig aan, zocht avonden achtereen naar huurwoningen. En ik liet hem begaan, opgelucht dat hij zich bezighield met praktische zaken, niet meer begon over het waarom van deze hachelijke onderneming.

Stuk goedkoper in het zuiden, zei hij verbaasd.

En: Zo erg is het toch niet?




img





Dat Willem zichzelf een wonderdokter noemde vond je prachtig, broertje.

Je las passages voor.

Over hoe hij een pastoor van zijn zwaarlijvigheid afhielp door laxeermiddel in zijn thee te doen.

Over hoe hij een bedlegerige vrouw van haar zelf ingebeelde wormen bevrijdde door er een paar in de dierenwinkel te kopen en die achter haar rug onder de lakens te gooien.

Je hield het boek omhoog.

Dit is een goudmijn.

Een warme drank als oplossing om onheil te bezweren en zenuwen te kalmeren is even hoopvol als belachelijk, zei je.

Hoopvol omdat het drinken als handeling een belofte in zich draagt.

Belachelijk omdat hoop redding suggereert.

Ik vond dat je er manisch uitzag met dat ongekamde haar, die trui vol vlekken.

Op een zondagmiddag reed Willem in een geleende luxeauto naar zijn lang vergeten maat die hij nog uit de oorlog kende.

Hij vertelde daar dat hij een goede investering had gedaan om vervolgens met een pak geld en een uitstaande belofte weer naar huis te rijden.

Voor onze film, zei je, hebben we ook startkapitaal nodig.

Je zei: Ik ben alvast aan het scenario begonnen.

Dit is een fragment uit Wat niet vergaat van Leonieke Baerwaldt, het Brabants Boek Present 2025 in opdracht van Tilt en het Cultuurfonds en uitgegeven door Querido. De novelle wordt van 6 t/m 21 september 2025 cadeau gedaan aan lezers in Brabantse boekhandels. Beeld is van Kaftwerk | Janine Hendriks.

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

,