De wortels hadden de poel van de wanhoop bereikt en zagen geen andere uitweg meer dan water uit de poel te drinken.
Hassan en ik waren ’s morgens vroeg aangekomen op het terrein van de demonstraties, in de buurt van het veiligheidshek ten oosten van Gaza-Stad. We sloten ons bij de achterhoede aan en liepen over de zandweg naar de plaats van bestemming. Het was een angstaanjagende mars, die langs het scheidingshek van het zuidelijke Rafah naar Beit Hanoun voerde. In Beit Hanoun troffen we een enorme menigte vrouwen, mannen, oude mensen en kinderen aan. Er deden zelfs wilde katten, honden en ezels mee. De wortels hadden de poel bereikt.
Boven het terrein hing een grote zwarte wolk. Hassan keek omhoog en schreeuwde: ‘We keren terug! Terug!’ Eerst voelde ik angst. Ik had nog niet eerder in mijn leven tussen duizenden opeengepakte mensen gestaan. Altijd als ik in een mensenmassa verzeild raakte, al was het maar bij toeval, kreeg ik het benauwd en maakte ik me het liefst zo snel mogelijk uit de voeten. Meestal schreef ik de leuzen die de mensen scandeerden op, maar zelf deed ik nooit mee. Blijkbaar is het opschrijven van leuzen een stuk gemakkelijker dan ze roepen. Deze keer herhaalde ik Hassans slogan, zij het fluisterend.
De demonstranten liepen verder en Hassan en ik volgden. We hadden afgesproken dat we achter in de stoet zouden blijven, maar plotseling was Hassan verdwenen, zonder iets te zeggen. Hij was ervandoor gegaan als een kind dat een speelgoedautootje heeft ontdekt en elke kans aangrijpt om zich aan zijn moeders hand te ontworstelen. Er was geen spoor van hem te bekennen. Het leek erop dat hij dit van tevoren had gepland. Ik ging niet naar hem op zoek, maar gaf me over aan het lot en liet mijn zintuigen hun werk doen.
Ik wist niet meer waar ik was. Ik weet niet hoe ik er terechtkwam, maar ineens bevond ik me op een maagdelijke, met wilde, groene struiken begroeide heuvel. Het was voor het eerst dat ik deze plek zag, die heel anders leek dan de rest van de omgeving: het zand was teer en zacht en had een andere kleur. Ik raakte in een euforische toestand die ik nog niet eerder had meegemaakt. Kennelijk waren alle jaren van belegering, lijden en dood nog steeds niet genoeg geweest om onze harten te stalen in wreedheid. Sterker nog: ze waren er juist gevoeliger van geworden.
Ik keek de mensen die voor me langs liepen in de ogen, alsof ik afscheid van ze nam. De kreten klonken steeds harder en de stemmen liepen in elkaar over. Harde kreten. Natuurlijk deed ik er zelf niet aan mee, want ik kan niet schreeuwen, of liever gezegd, ik houd er niet van. Ik bleef de gezichten van de mensen volgen, die allerlei emoties verrieden. Ze droegen bonte, versierde kleren die rust uitstraalden. Ik zag een meisje dat zich had opgemaakt met oogschaduw en lippenstift een selfie maken met op de achtergrond de menigte en rookpluimen van brandende autobanden. Betoverd door haar levendige blik volgde ik haar met mijn ogen, tot ze in de massa verdween. Nog steeds stroomden de mensen toe.
Er arriveerden hele families met voedsel en drinken en grote lakens om er in de zon op te zitten. Eén familie had een grote kring gevormd onder de schaduw van een boom, die de soldaten kennelijk over het hoofd hadden gezien. Ze begonnen de lunch klaar te maken. Het liep tegen de middag. In de verte doemde een auto op, versierd met kleurige doeken. Het kon niet anders dan een bruiloftsauto zijn. Dat is een gewoonte bij ons: als we trouwen, versieren we onze auto’s met kleuren, bloemen en soms met snoepjes. De auto naderde, gevolgd door een stoet andere auto’s en een grote bestelbus met daarin een muziekband. Een heuse bruiloft, zo te zien. De omstanders waren opgetogen en begonnen van een afstand naar de auto’s te zwaaien, tot ze bij de tenten van de demonstranten waren gekomen. Daar lieten ze de gasten uitstappen. De bruiloft begon. Het was alsof iedereen wist wat er van hen werd verwacht, zonder dat dat van tevoren was afgesproken. De omstanders deelden in de feestvreugde. Vrouwen overlaadden het bruidspaar met jubelkreten en wilde bloemen, en het bruidspaar liet zich fotograferen te midden van de menigte.
Op een steenworp afstand van mij stond een man die koude limonade uit een koelkast verkocht. Hij hield een megafoon in zijn hand en riep: ‘De koelkast van de terugkeer!’ Ik had trek in een glas limonade, maar hij stond te ver van me af. Als ik naar hem toe liep, zou ik niet meer terug kunnen. En wat zou het me opleveren, als ik mijn plek hier opgaf? Het terrein was volgelopen met mensen. Je kon geen voet verzetten, laat staan dat je ergens je achterwerk kwijt kon en je benen kon laten bungelen.
Ik keek de andere kant op en kocht in plaats van limonade een sigaret en een kopje thee van een straatverkopertje, dat voor me langs liep en schuchter zijn waren aanbood. Het was een aardig kind, dat vermoedelijk een centje aan de demonstraties probeerde te verdienen. De straatventers hadden in de demonstraties een populaire bestemming gevonden voor de verkoop van hun huisgemaakte producten. Sommigen verkochten lupinebonen, anderen snacks en eenvoudige sandwiches.
Vlak bij me was enige beroering ontstaan. Een paar jongens waren samengeschoold. Het leek alsof ze vochten om iets waarvan ik niet wist wat het was. Ik bleef een paar minuten kijken, tot de rust was weergekeerd. Achteraf bleek het geen gevecht te zijn, maar een heftige discussie. Sommigen vonden dat de jerrycans met drinkwater die op het hoofdplein stonden naar de tenten moesten worden gebracht, om te voorkomen dat het water warm zou worden in de zon.
Anderen wilden het water juist ver weg hebben, omdat ze vreesden dat de mensen er door de gasbommen niet bij zouden kunnen komen, want de soldaten kozen met opzet de tenten als doelwit.
Tientallen jongeren rolden versleten autobanden, die ze in de loop van de afgelopen weken uit garages hadden verzameld, naar het hek en stapelden ze daar op. ‘Kunnen jullie garanderen dat de wind goed staat, als jullie ze in brand steken?’ vroeg ik aan een van hen.
‘De wind staat altijd aan onze kant, maak je maar niet ongerust. Dit is ónze wind,’ was zijn antwoord.
Drie mensen werden in hun benen en hoofd getroffen. Ik zag het voor mijn ogen gebeuren: ze werden meteen door een paar jongens afgevoerd naar de eerste de beste hulppost. Vanaf mijn positie kon ik zien wat zich daarbinnen afspeelde. Het was niet meer dan een tent, met een zandvloer en een doorzichtig nylon dak. Ik keek toe hoe de hulpverleners de diepe, open wonden van de mannen hechtten en zich alweer gereedmaakten om de volgende slachtoffers te ontvangen. Nauwelijks een paar minuten later steeg er aan de horizon een inktzwarte rookwolk op uit de rubberbanden. De jongen had gelijk, ze hadden de wind mee. ‘We willen vliegen’, leken de brandstichters te willen zeggen, ‘we willen dat de wolken ons over de muren tillen, we willen voelen dat we mensen zijn. We zijn moe van de kogels en de vliegtuigen, van het zinloze doden, van het geslenter door de stad, van de vernedering en de tirannie. We hebben het onmogelijke doorstaan: honger, stroomuitval, vervuild water, afgesloten grensovergangen, reisverboden. We hebben liters bloed vergoten, we hebben alles gedaan wat we konden, maar misschien zit daar iemand die wil dat Gaza stilletjes ten ondergaat, tot het allemaal geen verschil meer maakt. Tot de inwoners levende doden of dode levenden zijn geworden. Tot Gaza alleen nog maar kan exploderen.’
Even later werd de zwarte wolk doorboord door gasbommen en werd er een witte pluim zichtbaar, als een verticale kolom die een chaos van witte stof op de grond veroorzaakte. Tientallen mensen vielen hoestend op de grond. Het was een onbekend gas. Ik had vroeger, tijdens de Tweede Intifada en eerdere confrontaties, weleens traangas binnengekregen. In zekere zin kon je dat een ‘vriendelijk’ gas noemen. ‘Vriendelijk gas’, wat een mooie typering! Maar dat gas was daadwerkelijk nog heel ‘vriendelijk’ geweest in vergelijking met dit spul, dat een vreemde tremor in het lichaam veroorzaakte en het slachtoffer in een delirium bracht, waarna hij flauwviel.
Onder de reddingswerkers bevond zich een blond meisje. Ze had een plastic bakje in haar hand waarvan ze de inhoud in de gezichten van de gewonden sproeide. Later heb ik gehoord dat het een mengsel van water en gist was en ik heb ook gehoord dat datzelfde meisje in haar hart is getroffen door de kogel van een Israëlische sluipschutter toen ze naar een van de gewonden liep om hem te helpen met ademen. Tegen de tijd dat ze hem had bereikt, begon de sluipschutter op haar te schieten. De kogel maakte een gat in haar witte jas, op de plek waar het embleem van de eerste hulp op stond, en drong in haar borst. Het gat waar de kogel naar binnen was gekomen was nauwelijks te zien, maar het gat waar hij weer uit kwam, was zo groot als een vuist. Ik vermoed dat haar hele hart uit haar rug naar buiten is gekomen.
De gemoederen raakten verhit en Hassan was nog steeds in geen velden of wegen te bekennen. Een van de fotografen voor me, die foto’s van de gewonden nam, viel op de grond. Hoewel hij een kogelvrij vest droeg, was er toch nog een dumdumkogel in zijn zij gedrongen, aan de kant van de lever. De hulpverleners droegen hem snel naar het veldhospitaal. Hij is later die dag gestorven. Aanvankelijk hadden de artsen gezegd dat zijn toestand stabiel was, maar na een paar uur veranderde de situatie en bleek de lever totaal vermorzeld. Een kogel als deze hadden we nog niet eerder gezien.
Ik zag een man in een rolstoel met een katapult stenen afschieten. De stenen vielen vlak naast hem neer, ook al deed hij nog zo zijn best. Hij was zo verbeten dat ik vreesde dat zijn arm uit de kom zou raken. Een klein vliegtuig gooide in één keer tientallen bommen naar beneden, maar de man in de rolstoel trok zich er niets van aan, of beter gezegd: hij kon er niets tegen doen. Even later tuimelde de stoel samen met zijn eigenaar om en rolde hij in een kuil. Ik heb de man niet meer gezien.
Ik keek de andere kant op en zag op een paar meter afstand hoe een jongen een autoband, die nog niet brandde, met zijn voet voortrolde. Hij zwaaide met zijn handen, ik weet niet precies naar wie. Plotseling zag ik dat zijn hoofd de band raakte en het volgende moment dromden de mensen om hem heen. Als een martelaar op de grond valt, verandert hij in een graankorrel: ze komen uit alle hoeken en gaten als mieren op hem af om hem naar zijn laatste rustplaats te dragen. Zo zag het eruit. Op het moment dat de jongens hem wegdroegen, had ik de indruk dat hij al was gestorven. Hij was doof en had niets gehoord.
De plek waar ik stond was levensgevaarlijk geworden. Hoe was ik hier terechtgekomen? Waar was Hassan? De kogels gierden onheilspellend langs me heen; hun gefluit vulde de lucht. Ik zag meerdere jongens als herfstbladeren op de grond vallen, hoewel ze zich nog ruim een kilometer van het hek bevonden. Het ene moment stond iemand te praten met zijn buurman of nam hij een trek van zijn sigaret, het volgende moment lag hij op de grond, badend in een poel van bloed.
In korte tijd waren er tientallen van dat soort incidenten en niet één
keer snelde ik te hulp. Ik ben doodsbang voor bloed, hoe zou ik dan een
gewonde kunnen helpen? Bovendien liepen er talloze mensen rond die die
rol graag op zich namen. Uit onwetendheid, of misschien nog eerder
uit liefde.
Ik had me voorgenomen niet naar voren te lopen. Dat had ik ook tegen Hassan gezegd. We zouden achteraan gaan staan om de menigte te observeren. Dat hadden we afgesproken, maar plotseling zag ik mezelf onwillekeurig een paar stappen naar voren zetten. Er is daar iets waardoor je voeten worden meegetrokken, zonder dat je het merkt. Veel mensen die er zijn geweest, hebben me dat verteld: ‘We deden een paar stappen naar voren en plotseling stonden we tussen het vuur en de rook.’ Ik denk dat ze worden overvallen door een impulsief verlangen, zoals dat met meeslepende liedjes, de bedwelmende geur van parfum en de aantrekkingskracht van mooie vrouwen gebeurt. Ik verliet mijn plaats op de heuvel en begon tussen de angstige, maar vastberaden massa te lopen. Vastberaden om wat te doen? Ik weet het niet.
Na een paar minuten bleef ik staan om een camera die voor me stond opgesteld te ontwijken. Ik wachtte tot het vraaggesprek was afgelopen en intussen keek ik om me heen. Mijn oog viel op een rolstoel die werd meegetrokken door een jongen. Hij was leeg. Overal zat bloed.
Een journaliste, Linda heette ze, stond voor de camera mensen te interviewen. Ze zag er tot in de puntjes verzorgd uit. Ik weet niet wat haar bezielde om hiernaartoe te komen. Ik kende haar, ze was zo iemand die interviews afneemt bij openingen van muziek- en dansfestivals, maar dat ze een slachting van afgerukte benen en andere ledematen zou verslaan, dat had ik nooit achter haar gezocht. Toch stond ze nu voor me. Op dit kleine stukje wereld lijkt alles anders dan het is.
Linda was klaar met interviewen en ik groette haar, of eigenlijk waren het haar wimpers die ik begroette. Ze had er geen moeite mee dat ik haar plaagde en met haar flirtte, zelfs niet in deze omstandigheden. Vrouwen accepteren het altijd dat mannen met hen flirten, zelfs in oorlogen. We moeten alleen wel het juiste moment kiezen.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg ze me. ‘Had je niet gezegd dat je nooit van je leven naar de demonstraties zou gaan?’
‘Ik ben hier om mijn hobby uit te oefenen. Ik hecht eraan om de dingen met eigen ogen te zien. Ik vertrouw het oog van de camera niet,’ zei ik met een glimlach en een knipoog.
‘Wanneer ga je het interview uitzenden?’
De journaliste mompelde iets, maar gaf geen antwoord.
De vrouw die door Linda was geïnterviewd, liep tegen iedereen te schelden en intussen trok ze aan haar pony, die verborgen zat onder een gele hoofddoek. Dat is een gewoonte van Arabische vrouwen. Meestal doen ze dat als ze tot het uiterste getergd zijn en geen schaamte meer kennen.
‘Ze hebben mijn huis verwoest,’ schreeuwde de vrouw. ‘Ze hebben mijn man en mijn enige dochter vermoord en ik ben hier gekomen om me te wreken. Ik was er niet toen ze mijn huis bombardeerden. En nu zie ik ze hier voor me.’
De vrouw verkeerde in grote opwinding. Linda gebaarde naar de cameraman dat hij zijn camera uit moest zetten. Daarna bedankte ze de vrouw, die terugrende naar het hek.
Hoe zou die weerloze vrouw zich ooit kunnen wreken? Een vrouw die niet eens geld had om nieuwe schoenen te kopen in plaats van het paar dat ze nu droeg en dat tot de draad toe versleten was van het rennen? Arme ziel.
Wanneer de radeloosheid bezit neemt van iemands geest, spreekt de pijn voor hem.
Een jongen op krukken, zijn been geamputeerd, kwam naar voren. Zijn gezicht stond grimmig. Linda zwaaide naar hem en vroeg hem om een interview.
Camera’s weten hun prooi nauwkeurig te lokaliseren. Er waren al veel journalisten geweest die hadden geprobeerd indrukken van de mars naar buiten te brengen, omdat ze vonden dat hun beelden getuigden van dapperheid en heldendom. Dat is ook zo, maar het is wel de dapperheid van mensen die niets meer te verliezen hebben, het heldendom van de wanhopigen. Een misplaatst heldendom.
De jongen stond met zijn krukken voor de camera en schreeuwde woedend: ‘Op een dag zullen we door de grenzen heen breken en terugkeren naar het land waaruit ze ons hebben verdreven. In de oorlog (hij bedoelde de gewelddadigheden van 2014 die eenenvijftig dagen hadden geduurd), ‘hebben ze mijn been afgeschoten, en nu ben ik weer terug. Laten ze me maar neerknallen als ze willen. Ik blijf hier tot ik erbij neerval.’
Ik zag dat hij het meende. Hij verlangde meer naar de dood dan naar het leven, want voor hem was er geen leven aan de horizon. De bezetting had het verschil tussen leven en dood uitgeschakeld. Ik kende de jongen vaag. Ik had hem regelmatig in het kamp groenten zien verkopen vanaf een paardenkar. Hij was tijdens zijn werk door een verkenningsvliegtuig beschoten, waarbij zijn paard was gedood. Zijn been was geamputeerd en sindsdien had hij geen werk meer. Hij had alle hoop om te leven verloren en wie de hoop verliest, behoort eigenlijk al tot de doden.
Tientallen doden, honderden gewonden. De mensen stroomden nog steeds toe. De zwarte rook als gevolg van de verbrande rubber autobanden vulde de hemel. De vrouw met de gele hoofddoek werd weggedragen door de mannen van de eerste hulp. Ze was door haar hoofd geschoten. Langs haar pony sijpelde bloed naar beneden.
Ik liep door naar het hek, terwijl alles in mij riep dat ik naar huis moest gaan. Ik liet mijn blik ronddwalen in de hoop Hassan te vinden. Tevergeefs. De slachting was begonnen. Tientallen gewonden, opengescheurde buiken waar ingewanden uit puilden, hoofden met verwrongen gezichten, benen die aan de rompen van hun eigenaren bungelden, zwarte gezichten, bloeddoorlopen ogen, oorverdovende hulpkreten.
Ik probeerde uit de buurt van de ambulances te blijven, die het belangrijkste doelwit van de kogels en de gasbommen waren geworden. Inmiddels was ik op een kleine vijftig meter van het hek gekomen. Door de zwarte rook kon ik niet veel meer zien dan de kleine strook ervoor. Een groep jongens trok het prikkeldraad weg en begon de elektronische afrastering erachter te beklimmen. Het waren er vijf. Een van hen droeg een vlag, die hij onder luid gejuich van de menigte op de afrastering wilde zetten. De jongen viel. Hij was niet neergeschoten, maar zijn voet was in het prikkeldraad blijven hangen. Hevig bloedend werd hij door een paar omstanders naar de eerste hulp gedragen. De andere vier jongens maakten zijn werk af en klommen op hun beurt naar boven. De vlag richtte zich wapperend op. De zwarte rookwolk, die de vijf jongens aan het zicht van de scherpschutters had onttrokken, loste op en een paar seconden later vielen ze alle vier van de muur.
Ik schrok van de aanblik, want hoe onverstoorbaar je ook bent, bij het zien van rondvliegende ledematen raakt iedereen uit zijn evenwicht. Ik rende terug en botste tegen Hassan op, die een brancard droeg. Door de manier waarop hij rende, kreeg ik de indruk dat hij op weg was naar een bijzonder slachtoffer. Hij had niets gemerkt van onze aanvaring en bleef gewoon doorlopen. Ik bleef staan en volgde hem met mijn blik. Uiteindelijk zag ik hem samen met een paar anderen terugkomen met een jongen die slap in hun armen hing. Ik herkende hem aan zijn kleren; het was de jongen van wie Hassan en ik, vlak voordat we elkaar uit het oog hadden verloren, een flesje water hadden gekregen. Ik had gezien hoe hij water onder de mensen uitdeelde en hun de weg wees naar de openbare toiletten die speciaal voor de demonstranten waren neergezet. Hij deed al het mogelijke om te helpen. Kennelijk had een sluipschutter zich daaraan gestoord en besloten hem in zijn voorhoofd te schieten. Hij was niet dood, hoorde ik later van Hassan. Ik weet niet of ik ‘helaas’, of ‘gelukkig’ moet zeggen, want de jongen ligt nu thuis op bed. Hij doet niets en beweegt niet meer. Zijn ledematen zijn verlamd. Nu ligt hij zelf te wachten tot iemand hem water komt brengen.
Terwijl ik verder naar achteren rende, zag ik een jongen op zijn buik over de grond kruipen. Het droge gras verwondde zijn borst, terwijl de kogels zich op een paar meter afstand om hem heen in de grond boorden. De jongen stond op. Hij hield een autoband in zijn hand en liep ermee naar de demonstranten. De kogels bleven voor en achter hem neervallen, maar hij werd niet geraakt. Nadat hij een paar meter had afgelegd kwam een van de andere jongens hem te hulp, nam de autoband van hem over en rende verder. Twee sprongen, meer niet. De kogel kwam pijlsnel op hem af en drong in zijn hoofd. Hij rolde naar één kant en de autoband rolde naar de andere.
Ik rende verder.
Het was beangstigend, al dat bloed dat plotseling in mijn gezicht spatte. Iemand viel op de grond, met een megafoon in zijn hand. Het was de frisdrankverkoper.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.