De vijand
Ik was daar een maand geleden. Ik was daar een jaar geleden. Ik ben daar altijd geweest, alsof ik nooit ergens anders was. In 1982 overkwam ons hetzelfde als wat ons nu overkomt. We werden omsingeld en vermoord, en vochten tegen de hel waaraan we werden blootgesteld. De gesneuvelden/martelaren lijken niet op elkaar. Ze hebben allemaal een eigen postuur, eigen gelaatstrekken en ogen, een eigen naam en leeftijd. Het zijn de moordenaars die op elkaar lijken, ze zijn één wezen dat zich over verschillende metalen machines heeft verdeeld, dat op elektronische knoppen drukt, moordt, en weer verdwijnt. Het ziet ons zonder dat wij het zien, niet omdat het een schim is, maar omdat het een stalen masker draagt dat een idee verbergt, zonder gelaatstrekken, ogen, leeftijd of naam. Het is het wezen dat heeft verkozen maar één naam te hebben: de vijand.
Hij zei: Ik ben bang
Hij was bang. Hij zei met luide stem: ‘Ik ben bang.’ De ramen waren stevig dichtgedaan, waardoor de echo opklonk en zich verspreidde: ‘Ik ben bang.’ Hij zweeg, maar de muren herhaalden: ‘Ik ben bang.’ De deur, de stoelen, de tafels, de gordijnen, de tapijten, de boeken, de kaarsen, de pennen, de schilderijen zeiden allemaal: ‘Ik ben bang.’ Hij werd bang voor de stem van de angst en riep ‘Houd op!’, maar de echo herhaalde niet ‘Houd op’. Hij was bang om in het huis te blijven en ging de straat op. Hij zag een geknakte populier en durfde er niet naar te kijken, hij wist niet waarom. Een militair voertuig snelde voorbij, en hij durfde niet meer op straat te lopen. Hij durfde ook niet naar huis terug te gaan, maar hij ging toch, noodgedwongen. Hij was bang dat hij de sleutel binnen had laten liggen, maar tot zijn geruststelling vond hij hem in zijn zak. Hij was bang dat de elektriciteit zou zijn afgesneden. Hij duwde op het knopje in de gang bij de trap. Het licht ging aan en hij was gerustgesteld. Hij was bang dat hij zou uitglijden op de trap en zijn bekken zou breken, maar tot zijn geruststelling gebeurde dat niet. Hij stak de sleutel in het slot, bang dat de deur niet zou opengaan, maar de deur ging wel open. Gerustgesteld liep hij het appartement in, maar hij was bang dat hij zichzelf had achtergelaten op een stoel, bevangen door angst. Toen hij zich ervan had vergewist dat hij het was die was binnengekomen, en niemand anders, ging hij voor de spiegel staan. Hij herkende zijn gezicht in de spiegel en was gerustgesteld. Hij luisterde naar de stilte en hoorde tot zijn geruststelling niets zeggen: ‘Ik ben bang.’ Om een mysterieuze reden was hij niet meer bang.
We kwamen te laat
In de vrolijke levensfase die we ‘rijpheid’ noemen zijn we noch optimistisch, noch pessimistisch. We hebben liefdespassie en verlangen afgezworen, evenals het benoemen van de dingen met hun tegendeel omdat we zo in verwarring zijn over vorm en essentie. We hebben onze gevoelens geleerd zich pas na kalm beraad te uiten. Wijsheid volgt de werkwijze van een arts die een wond bekijkt. Als we achteromkijken om te zien waar we ons bevinden ten opzichte van onszelf en de werkelijkheid, vragen we: Hoeveel vergissingen hebben we begaan? Zijn we te laat tot inzicht gekomen? We weten niet zeker uit welke richting de wind waait, want wat heeft het voor zin om iets te laat te bereiken, zelfs als er iemand is die op de berghelling op ons wacht, die ons uitnodigt om een dankgebed uit te spreken omdat we veilig zijn aangekomen... We zijn niet optimistisch of pessimistisch, maar te laat.
Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.
Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.